Museum De Lakenhal opent tentoonstelling Jonge Rembrandt - Rising Star

In Museum De Lakenhal is vanaf 2 november de tentoonstelling Jonge Rembrandt - Rising Star te zien. Het is de finale van het landelijke ‘Rembrandt en de Gouden Eeuw’- jaar. Werken die de inmiddels wereldberoemde meester maakte, keren na bijna 400 jaar terug naar zijn geboortestad Leiden. Jonge Rembrandt - Rising Star omvat ruim 40 schilderijen, 70 etsen en 10 tekeningen, waaronder een aantal werken die voor het eerst aan het publiek worden getoond. 

Van experiment tot meesterwerk

Voor het eerst wordt een overzichtstentoonstelling exclusief gewijd aan het vroegste werk van Rembrandt Harmensz. van Rijn (1606-1669). Het publiek kijkt als het ware over de schouders van de jonge schilder mee en ziet zijn kunstenaarschap groeien, van experiment tot meesterwerk. Naast Rembrandt zijn ook werken te zien van onder andere Jacob van Swanenburg, Jan Lievens, Pieter Lastman en Gerrit Dou. 

Uitzonderlijk talent, pijlsnelle ontwikkeling

De tentoonstelling Jonge Rembrandt - Rising Star laat zien hoe het uitzonderlijke talent van Rembrandt Harmensz. van Rijn in de periode van 1624 tot 1634 tot wasdom kwam. De spectaculaire, pijlsnelle ontwikkeling van dat talent is van werk tot werk af te lezen. Hij was een rasechte verkenner en vernieuwer. Nooit koos hij voor reeds bewandelde paden en steeds zocht hij onvermoeibaar naar nieuwe inzichten en mogelijkheden. In deze eerste tien jaren legde Rembrandt het fundament voor zijn latere werk. Dit leidde tot Rembrandts grote roem en droeg in hoge mate bij aan het karakter van de Nederlandse schilderkunst in de 17e eeuw.

Bijzondere bruiklenen, voor het eerst te zien

Dat Rembrandts eerste werk nog onbeholpen oogt, is duidelijk te zien aan zijn Brillenverkoper uit 1624, het vroegst bekende werk van de kunstenaar. In zijn Historiestuk met zelfportret van de schilder (1626) van twee jaar later is zijn spectaculaire vooruitgang al onmiskenbaar. Voor het eerst wordt dit schilderij herenigd met de Steniging van de heilige Stefanus (1625) uit het Musée des Beaux-Arts te Lyon, dat in het verleden vaak werd gezien als pendant.

Een bijzondere primeur in de tentoonstelling is het intrigerende doek Laat de kindertjes tot mij komen (ca. 1627), dat in 2014 werd geïdentificeerd als een vroeg werk van Rembrandt. Voortdurend experimenteerde Rembrandt met nieuwe onderwerpen en artistieke uitdagingen, zoals het contrast tussen licht en donker (clair-obscur). Zijn Zelfportret uit 1628 met een gedurfde slagschaduw over zijn eigen gezicht is daarvan het bekendste voorbeeld.

De werkelijke doorbraak kwam met het bezoek van Constantijn Huygens die Rembrandts schilderij Berouw van Judas (ca. 1629) rekende tot de grootste meesterwerken die hij ooit had gezien. Aansluitend schilderde Rembrandt zijn meesterlijke Christus te Emmaus (ca.1629) dat zich onderscheidt door een uiterst gewaagde behandeling van licht en duister. Op Huygens' voorspraak bestelde stadhouder Frederik Hendrik een aantal werken bij Rembrandt, waaronder de spectaculaire De ontvoering van Proserpina (ca. 1630-1631) (uit de Gemäldegalerie in Berlijn) en de Roof van Europa  (1632) uit het Getty Museum in Los Angeles. Beide schilderijen zijn nu voor het eerst naast elkaar te zien. In 1631 vertrok Rembrandt naar Amsterdam, waar zich een gouden toekomst aandiende. Hij opende bij kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh aan huis een nieuwe werkplaats. Van de talloze portretopdrachten die hij hier voltooide is het Portret van een 83-jarige dame (1634) een van de meest imposante.

Rembrandts groeiende zelfvertrouwen en kunde resulteerden in 1632 in een monumentaal doek getiteld The Noble Slav (1632), dat Museum De Lakenhal in bruikleen heeft weten te krijgen van het Metropolitan Museum in New York. In Leiden werd de oude werkplaats nog een aantal jaren voortgezet door zijn leerling Gerrit Dou. Diens samenwerking met Rembrandt resulteerde in meesterwerken zoals het Prins Ruprecht van de Palts met zijn mentor (ca. 1631) uit het Getty Museum. Toen Rembrandt in 1634 trouwde met Saskia van Uylenburgh en een zelfstandige werkplaats opende aan de Amsterdamse Breestraat, kwam aan die eerste tien jaren van worsteling en experiment een einde. Uit zijn Zelfportret met gepluimde baret (1634) spreekt het zelfvertrouwen waarmee de kunstenaar - terecht - een grote toekomst tegemoet zag.